Waarom zeg je niks?

de logistiek van het denken

Advertenties

Laatst noemde iemand met wie ik ben opgegroeid mij noncommunicatief. Dit schokte mij. Ik zeg ZOVEEL. Maar, en toen een oja, dat doe ik niet hardop. Het was één van de meest vreemde gewaarwordingen van mezelf, alleen maar doordat iemand mij even zijn ogen leende. Alsof er een elektrische vonkdruppel op een gloeiende planeet implodeerde, ja, zo’n extra verkeerde combinatie waarin twee elkaar afstotende uitdrukkingen gefuseerd worden tot 1 nieuwe. Het is inmiddels twee weken geleden en ik ben nog steeds niet uitverbaasd.

Wat er zich in mijn hoofd voltrok:

Twee grote lijnen van conclusies vertrekken onmiddellijk in bijna tegenovergestelde richtingen. Ik voel mijn hersens uitdijen in een soort stretch van nieuwigheid, heerlijk vind ik dat, ik blijf graag even hangen in die verwondering.

De ene conclusie gaat meteen op een soort pelgrimstocht inclusief boetedoening; denk nu eens aan al die andere mensen, die door mij alleen maar beoordeeld worden op een openbaar deel van zichzelf, terwijl ze uit zoveel meer bestaan, net als ik. Ik zie profielfoto na profielfoto na profielfoto voorbij komen.

De conclusie begint een beetje lacherig uit te weiden over hoe logisch en hoe ongelooflijk het was dat ik niet eerder zelf, deze evidente overduidelijkheid heb gezien.

De andere conclusie neemt het over, schreeuwend vanaf de andere kant van de ruimte: het was nu mijn taak geworden om meer van mezelf te delen, mijn plicht zelfs, om dit ongedaan te maken. Ze verheugt zich in overtuigd enthousiasme op mijn openbaring van mezelf, een niet-te-negeren lancering, langverwacht.

Een bijgedachte ziet moeilijkheden, als ik mijn hoofd ga delen snapt toch niemand het. Dan maar alleen, liever alleen dan onbegrepen (een fluistergedachte bemoeit zich: eh ja, of gewoon wel en dan ben je minder slim dan je dacht, au) of ze zien me voor het eerst helemaal: hoe gestoord ik ben.

Ah die angst, ja die ken ik wel, o dus die zit hierachter.

Een omringende cirkelconclusie vindt het allemaal maar streng van mezelf tegen mezelf en vraagt zich af of dat iets met die lastige deadline te maken heeft.

Eh ja. Die had ook gelijk.

En toch. Iedere keer dat ik me nu in een situatie bevind die naar mijn mening drenkt van overduidelijkheid vraag ik me af, denken we nu hetzelfde, of is dit zo’n moment om de dingen hardop te zeggen? Is hardop echter dan onuitgesproken? Of vervliegt het moment als ik het aan probeer te wijzen met een woord?