Golven lagen frequenties

Jij verhuisde naar de zee en ik was een golfmens van een andere slag. Je had dat meteen herkend omdat jij er ook zo een was. Toen ik de receptie binnenstapte met een soort van stamp-lopen dat me droeg en waar ik me goed bij voelde en me bij iedere stamp bewust van was, stelde ik me stellig voor: hoi jij bent ah ok. En terwijl dit gebeurde bleven we elkaar onophoudelijk aankijken. Er was een weg recht van mijn blauwe ogen naar jouw blauwe ogen. Het raakte me.

Ik beschreef de intuïtieve bewegingen van aikido, jouw antwoord was ja, maar wat jij nu beschrijft is het hele hoge onbereikbare onmogelijke wat eigenlijk niemand voor elkaar krijgt behalve een yogi misschien die zijn hele leven op zijn hoofd heeft gestaan. En zelfs die, zelfs die, zal er moeite mee hebben.

Waarom ontzeggen we onszelf aan onszelf?

Op de terugweg legde mijn broertje me stapsgewijs en stelselmatig uit wat moderniteit was en wat post-moderniteit en dat post-modern dus ouderwets was. Hij trok zich niets aan van de mensen die hem een zes gaven en beschouwde het als een bevestiging van zijn eigen gelijk. Ik was, als altijd, onder de indruk.

In de auto draaiden we muziek die me hypnotiseerde, ik was weer zo verbaasd door de dag en haar ontwikkelingen. De tonen susten me.

“Ben je gevoelig?” vroeg jij. “Ja,” zei ik “is niet iedereen .. ?”

Mijn hart zat in een bloem. Een bloem had zich gevormd om mijn hart. Ik wist niet precies hoe dit zo gekomen was, door de muziek en hoe dat stroomde, of misschien een optelsom van al die uren in gedachten.

Als we zoenen vind ik het zo eng.

Ik denk dat we in lagen leven.

In de oppervlaktelaag doet alles ertoe: “jamaar, hij zei” en “zij is echt zooo” “nee dat kan echt niet!”

In deze laag doet niets ertoe.

Advertenties

A thought for lonely moments

There was that meeting with M. on King’s day on which he and his friend did balloons. We made hamburgers in their Airbnb home and they described some women who we would meet up with later that night by their looks. I just sat there, wondering how they would describe me, out of my hearing. It was busy and Amsterdam was red and crowded. We talked about the dreams we had given up on and the burden of family. I realized we had never been friends.

There was this artist who in an interview said “why would anyone NOT feel like they belong?” I wanted that feeling, but for a long time it was as if I was separated from, unable to participate. I was aware of the problem, but it didn’t help. My solutions weren’t solutions. They were promises that posed as answers and I believed them. I wondered later, did I even want it solved? So, I have spent the greater part of my life inside my own head, thinking.

Does it get better or worse?

More of the same, but with a lesser body. So worse. But then, the understanding. What was once considered important is now irrelevant. A beauty is seen in the experiences. In being. And that, surely, is much better. Worse for all the things I have missed. The past is speckled with beauty out of my reach. I learned nothing from these moments besides learning to fear the future. Better, then, for finally trusting myself, carefully. Better, for still being here, for still daring to dream. But wretched the mind, who wants the best of both.

Dreams.

There are many archetypes. The one of the Other that completes the I. The one of the family in the house with the garden. The one of living in harmony with Nature. The one that says: I’ll do it myself. The one that just wants freedom. The one that measures itself through what it knows. The one that measures itself through how it looks. The one that wants to be the Most Beautiful Woman in the World. The one that wants to be with The Most Beautiful Woman in the World. The one about bad luck. The one about Success. The one about winning, always winning. The one obsessed about being right [as not to drown].

All is useless

on human design

The most genius part of the design will be its limited frame of reference. We put the eyes on the front, the head can turn, but the scope is limited both in rotation and distance. It will not remember what happened too far before its own existence, nor realise what inevitable future it is headed for. It will not realise, therefore, its discoveries have all been thought before.

ER IS GEEN IK

De ik die ik heet bestaat niet.

Want ik bestaat uit:

Mijn vader en moeder die me mijn naam gaven.

Herinneringen opgedeeld in periodes, waarbij ik de eerste periode zie met zonneschijn en lachend blond haar, maar dit zou ook op de foto’s gebaseerd kunnen zijn. Na die periode kwam de breuk van de verhuizing die tijdelijk een einde maakte aan de vertrouwdheid. Gevolgd door een kopje adolescentie, weer subonderverdeeld in verschillende vriendschappen. Bijvoorbeeld C. met wie ik samen een scala aan kleinschaligheden haatte, zoals dat we een hekel hadden aan paaskuikens en mensen die met hun pen een streep trekken langs de middenvouw van hun agenda. C. waarmee ik samen de stelligheid van het pubermeisje uitvond, waarbij onderscheiding van de rest het allerbelangrijkste was. Of N., die mij graag vertelde wat er mis met me was en waar ik mezelf nog kon verbeteren. Of S. waar in mijn ogen van alles mis mee was, maar die mij accepteerde inclusief chagrijnigheid.

Er zijn de periodes van verliefde, van geobsedeerd dromen, wat in retrospect een verstandige keuze was, want de pijn ben ik vergeten, en het was veiliger dan de echte wereld. Ik heb het over ‘ik ben verliefd op die en die’ fluisteren in het oor van vriendinnen, en er verder nooit iets mee doen. Deze periodes veranderden van vorm en werden serieuzer, culminerend in het heden, waarbij ik nu van een Hij mezelf terug krijg, de hele tijd.

Er zijn herinneringen aan geluiden, de pianogeluiden uit de garage, het parkietje dat mijn vader door de woonkamer liet vliegen, de trein die langs ons huis denderde, het geluid van onze huistelefoon.

Er zijn de gerechten die altijd terugkwamen; heel vroeger zitten op het aanrecht in het souterrain en boterhammen maken om die vervolgens tekenfilms kijkend op te eten. De boterhammen die we later aten smaakten minder, omdat we ze zo zat waren. Er was altijd hetzelfde. Niemand thuis. Een blik appelstroop, palingworst, ingeblikte leverworst, pindakaas, wanhopig op zoek naar variatie aten we de boterhammen bevroren uit de vriezer met suiker bovenop de pindakaas. In onze verbeelding smaakte dit naar pannenkoek. Ik herinner me ook mijn moeders zogenaamd befaamde moussaka, die ik vies vond. En veel droog vlees en slapgekookte groenten. Bij mijn oma stond steevast een rollade op tafel, sperzieboontjes met nootmuskaat, aardappeltjes, zelfgemaakte appelmoes. Dit herhaalt zich tot op de dag van vandaag, en ik ben blij met deze constante.

Alles met mijn broertje, wie ik wijsmaakte dat ik vervangen was voor een buitenaardse versie van mezelf. Mijn broertje die bang was voor boter, en met wie ik nu een verstandhouding deel over vroeger die op te roepen is met een blik of een woord. Mijn broertje die nog steeds met -je achter zijn naam wordt aangesproken door oma, die nog steeds wordt verwend met kipkluif, die nog steeds alles kwijtraakt wat je hem geeft. Die ervan overtuigd is dat hij achtervolgt wordt door pech, ik herinner me de korte periode waarin hij in de kuil van zelfoverschatting terechtkwam, waarin hij even een zelfbenoemd man van de rationaliteit was. Zijn pijn en verdriet die hij mij heel soms wel wil tonen, dat we daar dan over praten en dat het zonder oplossing is.

Mijn moeder met wie ik meer overhoop lig, en mijn broertje met mijn vader. Waarbij ik me afvraag of dat een keuze is.

Dan zijn er nog wat losse dingetjes, zoals alle vluchtpogingen die ik heb gedaan om te ontsnappen aan mezelf. Dat ik naar Engeland verhuisde, maar erachter kwam dat je je bagage niet thuis kunt laten en dat ik dan terug kwam en de verhoudingen scherper zag dan zij die erin bleven.

Alle vrienden van mijn ouders die verdwenen in hun eigen leven, alleen maar omdat het leven dat doet met mensen.

Alle boeken die ik heb gelezen, alle goede gesprekken die ik heb gevoerd, alle muziek die ik heb geluisterd, alle excuses om iets niet te doen die ik mezelf vertel, alle angsten die ik heb overwonnen, alle patronen die ik heb doorzien en waar ik later weer intrapte, alle teleurstellingen, alle antwoorden die uitbleven.

De brok in mijn keel die eruit moest.

De mensen die me verteld hebben dat ik perfect ben zoals ik ben en zeer de moeite waard, en het geloven van hun woorden dat ik uitstel en ik weet niet waarom.

[tekst uit 2012]

Waarom zeg je niks?

de logistiek van het denken

Laatst noemde iemand met wie ik ben opgegroeid mij noncommunicatief. Dit schokte mij. Ik zeg ZOVEEL. Maar, en toen een oja, dat doe ik niet hardop. Het was één van de meest vreemde gewaarwordingen van mezelf, alleen maar doordat iemand mij even zijn ogen leende. Alsof er een elektrische vonkdruppel op een gloeiende planeet implodeerde, ja, zo’n extra verkeerde combinatie waarin twee elkaar afstotende uitdrukkingen gefuseerd worden tot 1 nieuwe. Het is inmiddels twee weken geleden en ik ben nog steeds niet uitverbaasd.

Wat er zich in mijn hoofd voltrok:

Twee grote lijnen van conclusies vertrekken onmiddellijk in bijna tegenovergestelde richtingen. Ik voel mijn hersens uitdijen in een soort stretch van nieuwigheid, heerlijk vind ik dat, ik blijf graag even hangen in die verwondering.

De ene conclusie gaat meteen op een soort pelgrimstocht inclusief boetedoening; denk nu eens aan al die andere mensen, die door mij alleen maar beoordeeld worden op een openbaar deel van zichzelf, terwijl ze uit zoveel meer bestaan, net als ik. Ik zie profielfoto na profielfoto na profielfoto voorbij komen.

De conclusie begint een beetje lacherig uit te weiden over hoe logisch en hoe ongelooflijk het was dat ik niet eerder zelf, deze evidente overduidelijkheid heb gezien.

De andere conclusie neemt het over, schreeuwend vanaf de andere kant van de ruimte: het was nu mijn taak geworden om meer van mezelf te delen, mijn plicht zelfs, om dit ongedaan te maken. Ze verheugt zich in overtuigd enthousiasme op mijn openbaring van mezelf, een niet-te-negeren lancering, langverwacht.

Een bijgedachte ziet moeilijkheden, als ik mijn hoofd ga delen snapt toch niemand het. Dan maar alleen, liever alleen dan onbegrepen (een fluistergedachte bemoeit zich: eh ja, of gewoon wel en dan ben je minder slim dan je dacht, au) of ze zien me voor het eerst helemaal: hoe gestoord ik ben.

Ah die angst, ja die ken ik wel, o dus die zit hierachter.

Een omringende cirkelconclusie vindt het allemaal maar streng van mezelf tegen mezelf en vraagt zich af of dat iets met die lastige deadline te maken heeft.

Eh ja. Die had ook gelijk.

En toch. Iedere keer dat ik me nu in een situatie bevind die naar mijn mening drenkt van overduidelijkheid vraag ik me af, denken we nu hetzelfde, of is dit zo’n moment om de dingen hardop te zeggen? Is hardop echter dan onuitgesproken? Of vervliegt het moment als ik het aan probeer te wijzen met een woord?