Zalen en Zeeën

Je hebt me mijn schrijverszijn afgepakt, klootzak, nu jank ik als het verloren moederschap van talenten die het licht van kennis nimmer zullen schenken aan de lege zalen, de lege zalen in de hoofden van alle mensen. Wat zullen ze nu eens denken? Vrij van mijn invasievolle fantasie; dolle pret, is het nu goed onderlegd parket, met blanke burgers brave borsten die geen goden kennen aan wie ze durven bekennen, het saaie bestaan lijdzaam te ondergaan. Wil de echte mens nu opstaan? Kap’tein, o kapitein uw schip zinkt in oeverloos geëmmer, dieper zuchten en ons maar berusten want de schrijver werd nooit zwemmer. We komen dus nooit verder met dit lichaam. ’t Is niet de tijd van deze geest, dit schip vreest leven en weet niet wat water is dan nattigheid. Wat moet ik worden? Wat moet men ook met woorden? En met spijt, was ik maar bereid geweest te worden wie ik was, maar bange schepen stranden nog voor de wind er was. Winter was weerzinminnend, kou bedwingend, ’s zomers dan maar opnieuw beginnen? Zei de zonderaarzeling herwonnen vrijheidssoldaat, met een leger aan kennis paraat wil ik winnen van de nietwaarschuwingsschuwe vijanden van vandaag. Weet u waar ze te vinden? Nee, ik ben slechts de weduwe van morgen, heb zo mijn eigen zorgen. Ik las één woord van hem en gaf er duizend terug, duizend excuses om niet te gaan, eindeloos stil te staan, maar het is te laat om terug te gaan. Hier een tafel daar een stoel, een lamp, een heleboel spullen om het gat te vullen, want lege zalen kunnen niet verhullen waar ik voor sta daar ga ik voor, daar ga ik dan. Een verhuizing en een bereizing van zalen en zeeën zonder een letter terug te nemen. Spookfantomen van mijn dromen wilde ik mezelf beroven van wat ik had, dan was ik stommer, blinder, dommer met open ogen in een zwart gat waar het licht ten alle tijde aan was. Ik heb het altijd al gedacht, maar nooit geweten, en zeker wetenschap kon dat niet geven.