Waarom ik schrijf

Tosca’s panacea

Schrijven is voor mij een manier van begrijpen. Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in de grotere vraagstukken van het leven, dit heeft er zelfs toe geleid dat ik filosofie en politicologie ben gaan studeren. Ik hoopte hier de antwoorden te vinden waar ik zo naar verlangde, maar de ervaring was anders, ik kreeg alleen maar meer vragen, een overvloed aan antwoorden, en een meervoud aan waarheden die allen vrolijk naast elkaar konden bestaan in een semantische wereld. Het academische schrijven van vele essays vol correcte voetnoten en bronnenlijsten, de juiste manier van plagiaat plegen; het overschrijven van andermans werk in je eigen woorden, het was allemaal niet wat ik me er bij voorgesteld had. Waar waren de eigen ideeën, de vernieuwing? Het verbeteren, nee, het redden van de wereld? Als de wereld zo zwaar weegt kun je geen kant op. Ik heb sinds ik klein was, altijd geschreven, en het gaf altijd ruimte in mijn hoofd. En deze ruimte was voor het eerst benauwd.

In mijn laatste studiejaar kwam ik tot mijn eigen conclusie: Dat het een kwestie van kiezen is, en dat er geen betere, of ultieme waarheid is. Ik heb toen de leukste, meest positieve waarheid gekozen, en het besluit genomen om mijn creativiteit opnieuw uit te vinden om zo de balans tussen mijn hersenhelften te herstellen. Zodoende heb ik een jaar de tijd genomen om mezelf te bevrijden, in dit jaar heb ik me op al mijn verwaarloosde interesses gestort. Dit betekende literatuur lezen, eindelijk, eindelijk zelf boeken kiezen, de romans waren niet aan te slepen. Ook heb ik het oriëntatiejaar op de Rietveld gevolgd, ben ik een improvisatietheater cursus gaan volgen, en op drum- en gitaarles gegaan.

Wat ik zag in de filosofie: Dat het, om Murakami te parafraseren niks anders is dan semantisch vertier, oftewel; een spel binnen de regels en wetten van de grammatica, dat echter nietszeggend is als het op de echte wereld aankomt, is ook andersom waar. In die zin dat ik ten alle tijde probeer een stukje van het leven te vangen in woorden en zinnen.

Ik haal mijn ideeën uit omgeving en ervaring, ik moet het kennen om te kunnen beschrijven, erin kunnen kruipen, en dat past bij mij als iemand die waarneemt, observeert, alles in zich opneemt. Voor mijn studie schreef ik veel over mijn familie en opvoeding, omdat ik zo sterk put uit persoonlijke ervaring is het noodzakelijk dat ik mijn horizon continu verbreed, ik merk vaak dat bepaalde thema’s terugkomen in een andere vorm, en soms word ik gek van mijn quasi Holden Caulfield gezeur, en mijn ‘stream of consciousness’ stijl. Ik wil graag, zeer graag het terrein verkennen dat nu nog buiten mijn ervaring ligt. Ik wil breder, en hoger, en schever schrijven, maar even niet dieper, want ik schijn telkens op dezelfde stenen te duiken. Ik wil het drama verkennen, en het nietszeggende, en kijken wat er dan gebeurt. En vooral wil ik zien wat werkt op het toneel, in een directe persoonlijke oorzaak- en gevolgmethode, en dan bedoel ik,van mij achter mijn beeldscherm, keuzes makend over bepaalde zinnen, naar de uitvoering door een mens dat praat en beweegt, voor mensen.

Ik kan mezelf volledig verliezen in een verhaal, of dit nu film, muziek, theater of boek is. Ik laat me geheel gewillig graag raken, tot tranen van herkenning toe. Boeken die me diep hebben geraakt op deze manier zijn Harry Mulisch’ De ontdekking van de hemel, Haruki Murakami’s Half-boiled wonderland en het einde van de wereld, en Robert M. Pirsig’s Zen en de kunst van het motor onderhoud. Het zijn verhalen die een brug weten te slaan tussen het dagelijks leven en het bijzondere, idealistische, dromerige, filosofische, hoe je het ook wilt noemen. Dat vind ik interessant, ik ben een dromer, die beschuldiging heb ik een leven lang moeten aanhoren, mijn scriptie ging ook over deze kloof/brug, ‘tis maar net hoe je het bekijkt, in mijn scriptie was het nog een kloof, inmiddels is er een brug.